De of het aargetijde?
De aargetijde
Is het de of het aargetijde
In de Nederlandse taal gebruiken wij de aargetijde.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: spike
Jou of jouw: jouw aargetijde
Buigings-e:
Mooi of mooie aargetijde
Groot of grote aargetijde
Half of halve aargetijde
Grappig of grappige aargetijde
Leeg of lege aargetijde
leuk of leuke aargetijde
Vet of vette aargetijde
Snel of snelle aargetijde
Wit of witte aargetijde
Klein of kleine aargetijde
Rood of rode aargetijde
Dik of dikke aargetijde
Oud of oude aargetijde
Goed of goede aargetijde
Wat rijmt er op aargetijde
Elk of elke: Elke aargetijde
Aanwijzend voornaamwoord: Die aargetijde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze aargetijde
Wat rijmt er op aargetijde
jaargetijde - jaargetijde -
Buigings-e:
Mooi of mooie aargetijde
Groot of grote aargetijde
Half of halve aargetijde
Grappig of grappige aargetijde
Leeg of lege aargetijde
leuk of leuke aargetijde
Vet of vette aargetijde
Snel of snelle aargetijde
Wit of witte aargetijde
Klein of kleine aargetijde
Rood of rode aargetijde
Dik of dikke aargetijde
Oud of oude aargetijde
Goed of goede aargetijde
Wat rijmt er op aargetijde
Elk of elke: Elke aargetijde
Aanwijzend voornaamwoord: Die aargetijde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze aargetijde
Wat rijmt er op aargetijde
jaargetijde - jaargetijde -
Oefening van de dag



