De of het afstudeertermijn?
De afstudeertermijn
Is het de of het afstudeertermijn
In de Nederlandse taal gebruiken wij de afstudeertermijn.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: graduation term
Deutsch: letzte Amtszeit | Bekijk of het der of die letzte Amtszeit is.
Français: dernier mandat | Bekijk of het Le o La dernier mandat is.
Jou of jouw: jouw afstudeertermijn
Buigings-e:
Mooi of mooie afstudeertermijn
Groot of grote afstudeertermijn
Half of halve afstudeertermijn
Grappig of grappige afstudeertermijn
Leeg of lege afstudeertermijn
leuk of leuke afstudeertermijn
Vet of vette afstudeertermijn
Snel of snelle afstudeertermijn
Wit of witte afstudeertermijn
Klein of kleine afstudeertermijn
Rood of rode afstudeertermijn
Dik of dikke afstudeertermijn
Oud of oude afstudeertermijn
Goed of goede afstudeertermijn
Wat rijmt er op afstudeertermijn
Elk of elke: Elke afstudeertermijn
Aanwijzend voornaamwoord: Die afstudeertermijn
Bezittelijk voornaamwoord: Onze afstudeertermijn
Wat rijmt er op afstudeertermijn
Buigings-e:
Mooi of mooie afstudeertermijn
Groot of grote afstudeertermijn
Half of halve afstudeertermijn
Grappig of grappige afstudeertermijn
Leeg of lege afstudeertermijn
leuk of leuke afstudeertermijn
Vet of vette afstudeertermijn
Snel of snelle afstudeertermijn
Wit of witte afstudeertermijn
Klein of kleine afstudeertermijn
Rood of rode afstudeertermijn
Dik of dikke afstudeertermijn
Oud of oude afstudeertermijn
Goed of goede afstudeertermijn
Wat rijmt er op afstudeertermijn
Elk of elke: Elke afstudeertermijn
Aanwijzend voornaamwoord: Die afstudeertermijn
Bezittelijk voornaamwoord: Onze afstudeertermijn
Wat rijmt er op afstudeertermijn
Oefening van de dag



