De of het geloofsleerling?
De geloofsleerling
Is het de of het geloofsleerling
In de Nederlandse taal gebruiken wij de geloofsleerling.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: Faith pupil
Deutsch: Glaube Schüler | Bekijk of het der of die Glaube Schüler is.
Français: Foi élève | Bekijk of het Le o La Foi élève is.
Jou of jouw: jouw geloofsleerling
Buigings-e:
Mooi of mooie geloofsleerling
Groot of grote geloofsleerling
Half of halve geloofsleerling
Grappig of grappige geloofsleerling
Leeg of lege geloofsleerling
leuk of leuke geloofsleerling
Vet of vette geloofsleerling
Snel of snelle geloofsleerling
Wit of witte geloofsleerling
Klein of kleine geloofsleerling
Rood of rode geloofsleerling
Dik of dikke geloofsleerling
Oud of oude geloofsleerling
Goed of goede geloofsleerling
Wat rijmt er op geloofsleerling
Elk of elke: Elke geloofsleerling
Aanwijzend voornaamwoord: Die geloofsleerling
Bezittelijk voornaamwoord: Onze geloofsleerling
Wat rijmt er op geloofsleerling
Buigings-e:
Mooi of mooie geloofsleerling
Groot of grote geloofsleerling
Half of halve geloofsleerling
Grappig of grappige geloofsleerling
Leeg of lege geloofsleerling
leuk of leuke geloofsleerling
Vet of vette geloofsleerling
Snel of snelle geloofsleerling
Wit of witte geloofsleerling
Klein of kleine geloofsleerling
Rood of rode geloofsleerling
Dik of dikke geloofsleerling
Oud of oude geloofsleerling
Goed of goede geloofsleerling
Wat rijmt er op geloofsleerling
Elk of elke: Elke geloofsleerling
Aanwijzend voornaamwoord: Die geloofsleerling
Bezittelijk voornaamwoord: Onze geloofsleerling
Wat rijmt er op geloofsleerling
Oefening van de dag



