De of het kamperen?
Het kamperen
Is het de of het kamperen
In de Nederlandse taal gebruiken wij het kamperen.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: camping
Deutsch: zelten gehen | Bekijk of het der of die zelten gehen is.
Français: faire du camping | Bekijk of het Le o La faire du camping is.
Jou of jouw: jouw kamperen
Buigings-e:
Mooi of mooie kamperen
Groot of grote kamperen
Half of halve kamperen
Grappig of grappige kamperen
Leeg of lege kamperen
leuk of leuke kamperen
Vet of vette kamperen
Snel of snelle kamperen
Wit of witte kamperen
Klein of kleine kamperen
Rood of rode kamperen
Dik of dikke kamperen
Oud of oude kamperen
Goed of goede kamperen
Wat rijmt er op kamperen
Elk of elke: Elk kamperen
Aanwijzend voornaamwoord: Dat kamperen
Bezittelijk voornaamwoord: Ons kamperen
Wat rijmt er op kamperen
wildkamperen - natuurkamperen - fietskamperen -
Buigings-e:
Mooi of mooie kamperen
Groot of grote kamperen
Half of halve kamperen
Grappig of grappige kamperen
Leeg of lege kamperen
leuk of leuke kamperen
Vet of vette kamperen
Snel of snelle kamperen
Wit of witte kamperen
Klein of kleine kamperen
Rood of rode kamperen
Dik of dikke kamperen
Oud of oude kamperen
Goed of goede kamperen
Wat rijmt er op kamperen
Elk of elke: Elk kamperen
Aanwijzend voornaamwoord: Dat kamperen
Bezittelijk voornaamwoord: Ons kamperen
Wat rijmt er op kamperen
wildkamperen - natuurkamperen - fietskamperen -
Oefening van de dag



