De of het maskeren?
Het maskeren
Is het de of het maskeren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het maskeren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: mask
Deutsch: Maske | Bekijk of het der of die Maske is.
Français: masquer | Bekijk of het Le o La masquer is.
Jou of jouw: jouw maskeren
Buigings-e:
Mooi of mooie maskeren
Groot of grote maskeren
Half of halve maskeren
Grappig of grappige maskeren
Leeg of lege maskeren
leuk of leuke maskeren
Vet of vette maskeren
Snel of snelle maskeren
Wit of witte maskeren
Klein of kleine maskeren
Rood of rode maskeren
Dik of dikke maskeren
Oud of oude maskeren
Goed of goede maskeren
Wat rijmt er op maskeren
Elk of elke: Elk maskeren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat maskeren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons maskeren
Wat rijmt er op maskeren
demaskeren - ontmaskeren -
Buigings-e:
Mooi of mooie maskeren
Groot of grote maskeren
Half of halve maskeren
Grappig of grappige maskeren
Leeg of lege maskeren
leuk of leuke maskeren
Vet of vette maskeren
Snel of snelle maskeren
Wit of witte maskeren
Klein of kleine maskeren
Rood of rode maskeren
Dik of dikke maskeren
Oud of oude maskeren
Goed of goede maskeren
Wat rijmt er op maskeren
Elk of elke: Elk maskeren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat maskeren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons maskeren
Wat rijmt er op maskeren
demaskeren - ontmaskeren -
Oefening van de dag



