De of het projectverantwoorde?
De projectverantwoorde
Is het de of het projectverantwoorde
In de Nederlandse taal gebruiken wij de projectverantwoorde.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: project responsible
Jou of jouw: jouw projectverantwoorde
Buigings-e:
Mooi of mooie projectverantwoorde
Groot of grote projectverantwoorde
Half of halve projectverantwoorde
Grappig of grappige projectverantwoorde
Leeg of lege projectverantwoorde
leuk of leuke projectverantwoorde
Vet of vette projectverantwoorde
Snel of snelle projectverantwoorde
Wit of witte projectverantwoorde
Klein of kleine projectverantwoorde
Rood of rode projectverantwoorde
Dik of dikke projectverantwoorde
Oud of oude projectverantwoorde
Goed of goede projectverantwoorde
Wat rijmt er op projectverantwoorde
Elk of elke: Elke projectverantwoorde
Aanwijzend voornaamwoord: Die projectverantwoorde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze projectverantwoorde
Wat rijmt er op projectverantwoorde
Buigings-e:
Mooi of mooie projectverantwoorde
Groot of grote projectverantwoorde
Half of halve projectverantwoorde
Grappig of grappige projectverantwoorde
Leeg of lege projectverantwoorde
leuk of leuke projectverantwoorde
Vet of vette projectverantwoorde
Snel of snelle projectverantwoorde
Wit of witte projectverantwoorde
Klein of kleine projectverantwoorde
Rood of rode projectverantwoorde
Dik of dikke projectverantwoorde
Oud of oude projectverantwoorde
Goed of goede projectverantwoorde
Wat rijmt er op projectverantwoorde
Elk of elke: Elke projectverantwoorde
Aanwijzend voornaamwoord: Die projectverantwoorde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze projectverantwoorde
Wat rijmt er op projectverantwoorde
Oefening van de dag



