De of het reisende?
De reisende
Is het de of het reisende
In de Nederlandse taal gebruiken wij de reisende.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: travel income
Jou of jouw: jouw reisende
Buigings-e:
Mooi of mooie reisende
Groot of grote reisende
Half of halve reisende
Grappig of grappige reisende
Leeg of lege reisende
leuk of leuke reisende
Vet of vette reisende
Snel of snelle reisende
Wit of witte reisende
Klein of kleine reisende
Rood of rode reisende
Dik of dikke reisende
Oud of oude reisende
Goed of goede reisende
Wat rijmt er op reisende
Elk of elke: Elke reisende
Aanwijzend voornaamwoord: Die reisende
Bezittelijk voornaamwoord: Onze reisende
Wat rijmt er op reisende
Buigings-e:
Mooi of mooie reisende
Groot of grote reisende
Half of halve reisende
Grappig of grappige reisende
Leeg of lege reisende
leuk of leuke reisende
Vet of vette reisende
Snel of snelle reisende
Wit of witte reisende
Klein of kleine reisende
Rood of rode reisende
Dik of dikke reisende
Oud of oude reisende
Goed of goede reisende
Wat rijmt er op reisende
Elk of elke: Elke reisende
Aanwijzend voornaamwoord: Die reisende
Bezittelijk voornaamwoord: Onze reisende
Wat rijmt er op reisende
Oefening van de dag



