De of het winterkleren?
Het winterkleren
Is het de of het winterkleren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het winterkleren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: winter clothes
Deutsch: Wintersachen | Bekijk of het der of die Wintersachen is.
Français: vêtements d'hiver | Bekijk of het Le o La vêtements d'hiver is.
Jou of jouw: jouw winterkleren
Buigings-e:
Mooi of mooie winterkleren
Groot of grote winterkleren
Half of halve winterkleren
Grappig of grappige winterkleren
Leeg of lege winterkleren
leuk of leuke winterkleren
Vet of vette winterkleren
Snel of snelle winterkleren
Wit of witte winterkleren
Klein of kleine winterkleren
Rood of rode winterkleren
Dik of dikke winterkleren
Oud of oude winterkleren
Goed of goede winterkleren
Wat rijmt er op winterkleren
Elk of elke: Elk winterkleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat winterkleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons winterkleren
Wat rijmt er op winterkleren
Buigings-e:
Mooi of mooie winterkleren
Groot of grote winterkleren
Half of halve winterkleren
Grappig of grappige winterkleren
Leeg of lege winterkleren
leuk of leuke winterkleren
Vet of vette winterkleren
Snel of snelle winterkleren
Wit of witte winterkleren
Klein of kleine winterkleren
Rood of rode winterkleren
Dik of dikke winterkleren
Oud of oude winterkleren
Goed of goede winterkleren
Wat rijmt er op winterkleren
Elk of elke: Elk winterkleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat winterkleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons winterkleren
Wat rijmt er op winterkleren
Oefening van de dag



