De of het agro-toerisme?
Het agro-toerisme
Is het de of het agro-toerisme
In de Nederlandse taal gebruiken wij het agro-toerisme.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: agro-tourism
Jou of jouw: jouw agro-toerisme
Buigings-e:
Mooi of mooie agro-toerisme
Groot of grote agro-toerisme
Half of halve agro-toerisme
Grappig of grappige agro-toerisme
Leeg of lege agro-toerisme
leuk of leuke agro-toerisme
Vet of vette agro-toerisme
Snel of snelle agro-toerisme
Wit of witte agro-toerisme
Klein of kleine agro-toerisme
Rood of rode agro-toerisme
Dik of dikke agro-toerisme
Oud of oude agro-toerisme
Goed of goede agro-toerisme
Wat rijmt er op agro-toerisme
Elk of elke: Elk agro-toerisme
Aanwijzend voornaamwoord: Dat agro-toerisme
Bezittelijk voornaamwoord: Ons agro-toerisme
Wat rijmt er op agro-toerisme
Buigings-e:
Mooi of mooie agro-toerisme
Groot of grote agro-toerisme
Half of halve agro-toerisme
Grappig of grappige agro-toerisme
Leeg of lege agro-toerisme
leuk of leuke agro-toerisme
Vet of vette agro-toerisme
Snel of snelle agro-toerisme
Wit of witte agro-toerisme
Klein of kleine agro-toerisme
Rood of rode agro-toerisme
Dik of dikke agro-toerisme
Oud of oude agro-toerisme
Goed of goede agro-toerisme
Wat rijmt er op agro-toerisme
Elk of elke: Elk agro-toerisme
Aanwijzend voornaamwoord: Dat agro-toerisme
Bezittelijk voornaamwoord: Ons agro-toerisme
Wat rijmt er op agro-toerisme
Oefening van de dag



