De of het evangeliseren?
Het evangeliseren
Is het de of het evangeliseren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het evangeliseren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: evangelize
Deutsch: evangelisieren | Bekijk of het der of die evangelisieren is.
Français: évangéliser | Bekijk of het Le o La évangéliser is.
Jou of jouw: jouw evangeliseren
Buigings-e:
Mooi of mooie evangeliseren
Groot of grote evangeliseren
Half of halve evangeliseren
Grappig of grappige evangeliseren
Leeg of lege evangeliseren
leuk of leuke evangeliseren
Vet of vette evangeliseren
Snel of snelle evangeliseren
Wit of witte evangeliseren
Klein of kleine evangeliseren
Rood of rode evangeliseren
Dik of dikke evangeliseren
Oud of oude evangeliseren
Goed of goede evangeliseren
Wat rijmt er op evangeliseren
Elk of elke: Elk evangeliseren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat evangeliseren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons evangeliseren
Wat rijmt er op evangeliseren
Buigings-e:
Mooi of mooie evangeliseren
Groot of grote evangeliseren
Half of halve evangeliseren
Grappig of grappige evangeliseren
Leeg of lege evangeliseren
leuk of leuke evangeliseren
Vet of vette evangeliseren
Snel of snelle evangeliseren
Wit of witte evangeliseren
Klein of kleine evangeliseren
Rood of rode evangeliseren
Dik of dikke evangeliseren
Oud of oude evangeliseren
Goed of goede evangeliseren
Wat rijmt er op evangeliseren
Elk of elke: Elk evangeliseren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat evangeliseren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons evangeliseren
Wat rijmt er op evangeliseren
Oefening van de dag



