De of het extrapoleren?
Het extrapoleren
Is het de of het extrapoleren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het extrapoleren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: extrapolate
Deutsch: extrapolieren | Bekijk of het der of die extrapolieren is.
Français: extrapoler | Bekijk of het Le o La extrapoler is.
Jou of jouw: jouw extrapoleren
Buigings-e:
Mooi of mooie extrapoleren
Groot of grote extrapoleren
Half of halve extrapoleren
Grappig of grappige extrapoleren
Leeg of lege extrapoleren
leuk of leuke extrapoleren
Vet of vette extrapoleren
Snel of snelle extrapoleren
Wit of witte extrapoleren
Klein of kleine extrapoleren
Rood of rode extrapoleren
Dik of dikke extrapoleren
Oud of oude extrapoleren
Goed of goede extrapoleren
Wat rijmt er op extrapoleren
Elk of elke: Elk extrapoleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat extrapoleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons extrapoleren
Wat rijmt er op extrapoleren
Buigings-e:
Mooi of mooie extrapoleren
Groot of grote extrapoleren
Half of halve extrapoleren
Grappig of grappige extrapoleren
Leeg of lege extrapoleren
leuk of leuke extrapoleren
Vet of vette extrapoleren
Snel of snelle extrapoleren
Wit of witte extrapoleren
Klein of kleine extrapoleren
Rood of rode extrapoleren
Dik of dikke extrapoleren
Oud of oude extrapoleren
Goed of goede extrapoleren
Wat rijmt er op extrapoleren
Elk of elke: Elk extrapoleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat extrapoleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons extrapoleren
Wat rijmt er op extrapoleren
Oefening van de dag



