De of het gezinsvragenlijst?
De gezinsvragenlijst
Is het de of het gezinsvragenlijst
In de Nederlandse taal gebruiken wij de gezinsvragenlijst.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: household questionnaire
Jou of jouw: jouw gezinsvragenlijst
Buigings-e:
Mooi of mooie gezinsvragenlijst
Groot of grote gezinsvragenlijst
Half of halve gezinsvragenlijst
Grappig of grappige gezinsvragenlijst
Leeg of lege gezinsvragenlijst
leuk of leuke gezinsvragenlijst
Vet of vette gezinsvragenlijst
Snel of snelle gezinsvragenlijst
Wit of witte gezinsvragenlijst
Klein of kleine gezinsvragenlijst
Rood of rode gezinsvragenlijst
Dik of dikke gezinsvragenlijst
Oud of oude gezinsvragenlijst
Goed of goede gezinsvragenlijst
Wat rijmt er op gezinsvragenlijst
Elk of elke: Elke gezinsvragenlijst
Aanwijzend voornaamwoord: Die gezinsvragenlijst
Bezittelijk voornaamwoord: Onze gezinsvragenlijst
Wat rijmt er op gezinsvragenlijst
Buigings-e:
Mooi of mooie gezinsvragenlijst
Groot of grote gezinsvragenlijst
Half of halve gezinsvragenlijst
Grappig of grappige gezinsvragenlijst
Leeg of lege gezinsvragenlijst
leuk of leuke gezinsvragenlijst
Vet of vette gezinsvragenlijst
Snel of snelle gezinsvragenlijst
Wit of witte gezinsvragenlijst
Klein of kleine gezinsvragenlijst
Rood of rode gezinsvragenlijst
Dik of dikke gezinsvragenlijst
Oud of oude gezinsvragenlijst
Goed of goede gezinsvragenlijst
Wat rijmt er op gezinsvragenlijst
Elk of elke: Elke gezinsvragenlijst
Aanwijzend voornaamwoord: Die gezinsvragenlijst
Bezittelijk voornaamwoord: Onze gezinsvragenlijst
Wat rijmt er op gezinsvragenlijst
Oefening van de dag



