De of het glaceren?
Het glaceren
Is het de of het glaceren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het glaceren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: glaze
Deutsch: Glasur | Bekijk of het der of die Glasur is.
Français: glacer | Bekijk of het Le o La glacer is.
Jou of jouw: jouw glaceren
Buigings-e:
Mooi of mooie glaceren
Groot of grote glaceren
Half of halve glaceren
Grappig of grappige glaceren
Leeg of lege glaceren
leuk of leuke glaceren
Vet of vette glaceren
Snel of snelle glaceren
Wit of witte glaceren
Klein of kleine glaceren
Rood of rode glaceren
Dik of dikke glaceren
Oud of oude glaceren
Goed of goede glaceren
Wat rijmt er op glaceren
Elk of elke: Elk glaceren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat glaceren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons glaceren
Wat rijmt er op glaceren
deglaceren -
Buigings-e:
Mooi of mooie glaceren
Groot of grote glaceren
Half of halve glaceren
Grappig of grappige glaceren
Leeg of lege glaceren
leuk of leuke glaceren
Vet of vette glaceren
Snel of snelle glaceren
Wit of witte glaceren
Klein of kleine glaceren
Rood of rode glaceren
Dik of dikke glaceren
Oud of oude glaceren
Goed of goede glaceren
Wat rijmt er op glaceren
Elk of elke: Elk glaceren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat glaceren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons glaceren
Wat rijmt er op glaceren
deglaceren -
Oefening van de dag



