De of het interfaculteit?
De interfaculteit
Is het de of het interfaculteit
In de Nederlandse taal gebruiken wij de interfaculteit.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: inter-faculty
Deutsch: fakultätsübergreifende | Bekijk of het der of die fakultätsübergreifende is.
Français: inter-facultaire | Bekijk of het Le o La inter-facultaire is.
Jou of jouw: jouw interfaculteit
Buigings-e:
Mooi of mooie interfaculteit
Groot of grote interfaculteit
Half of halve interfaculteit
Grappig of grappige interfaculteit
Leeg of lege interfaculteit
leuk of leuke interfaculteit
Vet of vette interfaculteit
Snel of snelle interfaculteit
Wit of witte interfaculteit
Klein of kleine interfaculteit
Rood of rode interfaculteit
Dik of dikke interfaculteit
Oud of oude interfaculteit
Goed of goede interfaculteit
Wat rijmt er op interfaculteit
Elk of elke: Elke interfaculteit
Aanwijzend voornaamwoord: Die interfaculteit
Bezittelijk voornaamwoord: Onze interfaculteit
Wat rijmt er op interfaculteit
Buigings-e:
Mooi of mooie interfaculteit
Groot of grote interfaculteit
Half of halve interfaculteit
Grappig of grappige interfaculteit
Leeg of lege interfaculteit
leuk of leuke interfaculteit
Vet of vette interfaculteit
Snel of snelle interfaculteit
Wit of witte interfaculteit
Klein of kleine interfaculteit
Rood of rode interfaculteit
Dik of dikke interfaculteit
Oud of oude interfaculteit
Goed of goede interfaculteit
Wat rijmt er op interfaculteit
Elk of elke: Elke interfaculteit
Aanwijzend voornaamwoord: Die interfaculteit
Bezittelijk voornaamwoord: Onze interfaculteit
Wat rijmt er op interfaculteit
Oefening van de dag



