De of het irrigeren?
Het irrigeren
Is het de of het irrigeren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het irrigeren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: irrigate
Deutsch: bewässern | Bekijk of het der of die bewässern is.
Français: irriguer | Bekijk of het Le o La irriguer is.
Jou of jouw: jouw irrigeren
Buigings-e:
Mooi of mooie irrigeren
Groot of grote irrigeren
Half of halve irrigeren
Grappig of grappige irrigeren
Leeg of lege irrigeren
leuk of leuke irrigeren
Vet of vette irrigeren
Snel of snelle irrigeren
Wit of witte irrigeren
Klein of kleine irrigeren
Rood of rode irrigeren
Dik of dikke irrigeren
Oud of oude irrigeren
Goed of goede irrigeren
Wat rijmt er op irrigeren
Elk of elke: Elk irrigeren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat irrigeren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons irrigeren
Wat rijmt er op irrigeren
Buigings-e:
Mooi of mooie irrigeren
Groot of grote irrigeren
Half of halve irrigeren
Grappig of grappige irrigeren
Leeg of lege irrigeren
leuk of leuke irrigeren
Vet of vette irrigeren
Snel of snelle irrigeren
Wit of witte irrigeren
Klein of kleine irrigeren
Rood of rode irrigeren
Dik of dikke irrigeren
Oud of oude irrigeren
Goed of goede irrigeren
Wat rijmt er op irrigeren
Elk of elke: Elk irrigeren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat irrigeren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons irrigeren
Wat rijmt er op irrigeren
Oefening van de dag



