De of het ongevaccineerde?
De ongevaccineerde
Is het de of het ongevaccineerde
In de Nederlandse taal gebruiken wij de ongevaccineerde.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: unvaccinated
Deutsch: ungeimpften | Bekijk of het der of die ungeimpften is.
Français: non vaccinés | Bekijk of het Le o La non vaccinés is.
Jou of jouw: jouw ongevaccineerde
Buigings-e:
Mooi of mooie ongevaccineerde
Groot of grote ongevaccineerde
Half of halve ongevaccineerde
Grappig of grappige ongevaccineerde
Leeg of lege ongevaccineerde
leuk of leuke ongevaccineerde
Vet of vette ongevaccineerde
Snel of snelle ongevaccineerde
Wit of witte ongevaccineerde
Klein of kleine ongevaccineerde
Rood of rode ongevaccineerde
Dik of dikke ongevaccineerde
Oud of oude ongevaccineerde
Goed of goede ongevaccineerde
Wat rijmt er op ongevaccineerde
Elk of elke: Elke ongevaccineerde
Aanwijzend voornaamwoord: Die ongevaccineerde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze ongevaccineerde
Wat rijmt er op ongevaccineerde
Buigings-e:
Mooi of mooie ongevaccineerde
Groot of grote ongevaccineerde
Half of halve ongevaccineerde
Grappig of grappige ongevaccineerde
Leeg of lege ongevaccineerde
leuk of leuke ongevaccineerde
Vet of vette ongevaccineerde
Snel of snelle ongevaccineerde
Wit of witte ongevaccineerde
Klein of kleine ongevaccineerde
Rood of rode ongevaccineerde
Dik of dikke ongevaccineerde
Oud of oude ongevaccineerde
Goed of goede ongevaccineerde
Wat rijmt er op ongevaccineerde
Elk of elke: Elke ongevaccineerde
Aanwijzend voornaamwoord: Die ongevaccineerde
Bezittelijk voornaamwoord: Onze ongevaccineerde
Wat rijmt er op ongevaccineerde
Oefening van de dag



