De of het ontleren?
Het ontleren
Is het de of het ontleren
In de Nederlandse taal gebruiken wij het ontleren.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: unlearning
Deutsch: Verlernen | Bekijk of het der of die Verlernen is.
Français: désapprentissage | Bekijk of het Le o La désapprentissage is.
Jou of jouw: jouw ontleren
Buigings-e:
Mooi of mooie ontleren
Groot of grote ontleren
Half of halve ontleren
Grappig of grappige ontleren
Leeg of lege ontleren
leuk of leuke ontleren
Vet of vette ontleren
Snel of snelle ontleren
Wit of witte ontleren
Klein of kleine ontleren
Rood of rode ontleren
Dik of dikke ontleren
Oud of oude ontleren
Goed of goede ontleren
Wat rijmt er op ontleren
Elk of elke: Elk ontleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat ontleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons ontleren
Wat rijmt er op ontleren
Buigings-e:
Mooi of mooie ontleren
Groot of grote ontleren
Half of halve ontleren
Grappig of grappige ontleren
Leeg of lege ontleren
leuk of leuke ontleren
Vet of vette ontleren
Snel of snelle ontleren
Wit of witte ontleren
Klein of kleine ontleren
Rood of rode ontleren
Dik of dikke ontleren
Oud of oude ontleren
Goed of goede ontleren
Wat rijmt er op ontleren
Elk of elke: Elk ontleren
Aanwijzend voornaamwoord: Dat ontleren
Bezittelijk voornaamwoord: Ons ontleren
Wat rijmt er op ontleren
Oefening van de dag



