De of het toneelschoolleerling?
De toneelschoolleerling
Is het de of het toneelschoolleerling
In de Nederlandse taal gebruiken wij de toneelschoolleerling.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: drama student
Deutsch: Schauspielschüler | Bekijk of het der of die Schauspielschüler is.
Français: étudiant en école d'art dramatique | Bekijk of het Le o La étudiant en école d'art dramatique is.
Jou of jouw: jouw toneelschoolleerling
Buigings-e:
Mooi of mooie toneelschoolleerling
Groot of grote toneelschoolleerling
Half of halve toneelschoolleerling
Grappig of grappige toneelschoolleerling
Leeg of lege toneelschoolleerling
leuk of leuke toneelschoolleerling
Vet of vette toneelschoolleerling
Snel of snelle toneelschoolleerling
Wit of witte toneelschoolleerling
Klein of kleine toneelschoolleerling
Rood of rode toneelschoolleerling
Dik of dikke toneelschoolleerling
Oud of oude toneelschoolleerling
Goed of goede toneelschoolleerling
Wat rijmt er op toneelschoolleerling
Elk of elke: Elke toneelschoolleerling
Aanwijzend voornaamwoord: Die toneelschoolleerling
Bezittelijk voornaamwoord: Onze toneelschoolleerling
Wat rijmt er op toneelschoolleerling
Buigings-e:
Mooi of mooie toneelschoolleerling
Groot of grote toneelschoolleerling
Half of halve toneelschoolleerling
Grappig of grappige toneelschoolleerling
Leeg of lege toneelschoolleerling
leuk of leuke toneelschoolleerling
Vet of vette toneelschoolleerling
Snel of snelle toneelschoolleerling
Wit of witte toneelschoolleerling
Klein of kleine toneelschoolleerling
Rood of rode toneelschoolleerling
Dik of dikke toneelschoolleerling
Oud of oude toneelschoolleerling
Goed of goede toneelschoolleerling
Wat rijmt er op toneelschoolleerling
Elk of elke: Elke toneelschoolleerling
Aanwijzend voornaamwoord: Die toneelschoolleerling
Bezittelijk voornaamwoord: Onze toneelschoolleerling
Wat rijmt er op toneelschoolleerling
Oefening van de dag



