De of het verleden?
Het verleden
Is het de of het verleden
In de Nederlandse taal gebruiken wij het verleden.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
Bekijk hier de betekenis van verleden
Meervoud: verleden
English: past
Deutsch: vorbei an | Bekijk of het der of die vorbei an is.
Français: passé | Bekijk of het Le o La passé is.
Jou of jouw: jouw verleden
Buigings-e:
Mooi of mooie verleden
Groot of grote verleden
Half of halve verleden
Grappig of grappige verleden
Leeg of lege verleden
leuk of leuke verleden
Vet of vette verleden
Snel of snelle verleden
Wit of witte verleden
Klein of kleine verleden
Rood of rode verleden
Dik of dikke verleden
Oud of oude verleden
Goed of goede verleden
Wat rijmt er op verleden
Elk of elke: Elk verleden
Aanwijzend voornaamwoord: Dat verleden
Bezittelijk voornaamwoord: Ons verleden
Wat rijmt er op verleden
naziverleden - sportverleden - oorlogsverleden -
Buigings-e:
Mooi of mooie verleden
Groot of grote verleden
Half of halve verleden
Grappig of grappige verleden
Leeg of lege verleden
leuk of leuke verleden
Vet of vette verleden
Snel of snelle verleden
Wit of witte verleden
Klein of kleine verleden
Rood of rode verleden
Dik of dikke verleden
Oud of oude verleden
Goed of goede verleden
Wat rijmt er op verleden
Elk of elke: Elk verleden
Aanwijzend voornaamwoord: Dat verleden
Bezittelijk voornaamwoord: Ons verleden
Wat rijmt er op verleden
naziverleden - sportverleden - oorlogsverleden -
Oefening van de dag



