De of het voorspellen?
Het voorspellen
Is het de of het voorspellen
In de Nederlandse taal gebruiken wij het voorspellen.
Elke dag een e-mail ontvangen met de oefening?
English: predict
Deutsch: vorhersagen | Bekijk of het der of die vorhersagen is.
Français: prédire | Bekijk of het Le o La prédire is.
Jou of jouw: jouw voorspellen
Buigings-e:
Mooi of mooie voorspellen
Groot of grote voorspellen
Half of halve voorspellen
Grappig of grappige voorspellen
Leeg of lege voorspellen
leuk of leuke voorspellen
Vet of vette voorspellen
Snel of snelle voorspellen
Wit of witte voorspellen
Klein of kleine voorspellen
Rood of rode voorspellen
Dik of dikke voorspellen
Oud of oude voorspellen
Goed of goede voorspellen
Wat rijmt er op voorspellen
Elk of elke: Elk voorspellen
Aanwijzend voornaamwoord: Dat voorspellen
Bezittelijk voornaamwoord: Ons voorspellen
Wat rijmt er op voorspellen
Buigings-e:
Mooi of mooie voorspellen
Groot of grote voorspellen
Half of halve voorspellen
Grappig of grappige voorspellen
Leeg of lege voorspellen
leuk of leuke voorspellen
Vet of vette voorspellen
Snel of snelle voorspellen
Wit of witte voorspellen
Klein of kleine voorspellen
Rood of rode voorspellen
Dik of dikke voorspellen
Oud of oude voorspellen
Goed of goede voorspellen
Wat rijmt er op voorspellen
Elk of elke: Elk voorspellen
Aanwijzend voornaamwoord: Dat voorspellen
Bezittelijk voornaamwoord: Ons voorspellen
Wat rijmt er op voorspellen
Oefening van de dag



